Gunningscriteria, transparantie en differentiatie
De toetsing van de offertes aan de gunningscriteria vormt doorgaans het zwaartepunt bij de gunning van een overheidsopdracht. Hoewel de aanbesteder hierin een beoordelingsvrijheid heeft, wordt die vrijheid begrensd door transparantie, gelijkheid en het principe dat de overheid de regels moet naleven die zij zelf heeft opgesteld. Uit recente rechtspraak blijkt dat het bij de differentiatie van offertes wel eens kan misgaan.
Artikel 81, §3 van de Overheidsopdrachtenwet verplicht dat de gunningscriteria worden opgenomen in de aankondiging van de opdracht of in een ander opdrachtdocument. Die verplichting vloeit rechtstreeks voort uit het transparantiebeginsel: de criteria moeten zó worden geformuleerd dat elke redelijk geïnformeerde en normaal zorgvuldige inschrijver ze op dezelfde manier kan begrijpen. Transparantie houdt ook in dat de aanbesteder de criteria tijdens de hele procedure consequent toepast. Nieuwe criteria invoeren, bestaande criteria wijzigen of ze anders hanteren dan oorspronkelijk gecommuniceerd, is uitgesloten.
Bij de beoordeling spelen het gelijkheidsbeginsel en het beginsel patere legem quam ipse fecisti een even grote rol. Gelijkheid vereist dat alle inschrijvers in dezelfde omstandigheden worden beoordeeld. Wanneer vergelijkbare situaties niet vergelijkbaar worden behandeld, ontstaat een motiveringsprobleem. Het patere legem-beginsel verplicht de aanbesteder vervolgens om zijn eigen bestek strikt te volgen: een criterium dat als onderscheidend element werd aangekondigd, moet ook daadwerkelijk zo worden toegepast; een aspect dat enkel als minimumeis werd geformuleerd, kan niet achteraf toch worden betrokken bij de puntentoekenning.
In de praktijk komen problemen vooral voort uit twee situaties. Ten eerste wanneer een criterium te algemeen is of onvoldoende beoordelingsinhoud bevat. Dan ontstaat het risico dat verschillende offertes gelijk of bijna gelijk scoren, niet omdat zij gelijkwaardig zijn, maar omdat de beoordelingsmethode geen reëel onderscheid toelaat. Ten tweede wanneer de motivering te weinig verband legt tussen kwalitatieve observaties en de uiteindelijke score. Een puntenscore is alleen zinvol als duidelijk is welke feiten tot dat cijfer hebben geleid, en waarom de ene offerte beter of slechter scoorde dan een andere.
Het arrest van de Raad van State van 17 april 2025 (nr. 263.012, Alstom Belgium) illustreert dat punt. In dat dossier gebruikte de aanbesteder globale kwalificaties zoals “suffisant” of “faible”, maar uit de beslissing bleek niet meteen hoe die termen doorwerkten in de cijfermatige score. De Raad benadrukte dat de methode voor een buitenstaander begrijpelijk moet zijn: wie een gunningsbeslissing leest, moet kunnen nagaan hoe de punten tot stand kwamen en welke elementen het verschil hebben gemaakt. Omdat dat verband ontbrak, werd de transparantie geschonden en kon de evaluatie niet worden gecontroleerd. Bovendien stelde de Raad vast dat de gebruikte beoordelingsmethode niet toeliet om verschillen in kwaliteit te vertalen naar verschillen in punten.
Een robuust gunningscriterium combineert dus de volgende elementen: een duidelijke definitie, een voorspelbare toepassing, een beoordelingsschaal die effectief toelaat om verschillen zichtbaar te maken, en een motivering die het verband legt tussen inhoudelijke vaststellingen en de score.
Heeft u vragen over het vaststellen of het toepassen van gunningscriteria, of een gunningsbetwisting? Neem gerust contact.