Belangenconflict en voorafgaande betrokkenheid

Bij overheidsopdrachten loert het risico op partijdigheid of een oneerlijke voordeel voor een inschrijver soms om de hoek. Vaak onbedoeld, maar daarom niet minder problematisch. De wetgeving bevat regels om zo’n situaties te vermijden, waaronder de regeling over belangenconflicten (art. 6 Overheidsopdrachtenwet) en de regeling over voorafgaande betrokkenheid (art. 52 Overheidsopdrachtenwet). Beide hebben één doel: het risico vermijden op favoritisme en willekeur door de aanbesteder ten aanzien van bepaalde inschrijvers.

Een belangenconflict, in de zin van artikel 6, ontstaat wanneer eender welke persoon die invloed kan hebben op de overheidsopdracht, een direct of indirect, financieel, economisch of andere persoonlijk belang heeft dat zijn objectiviteit of onafhankelijkheid in het gedrang kan brengen. De aanbesteder moet gepaste maatregelen nemen om zo’n situaties te voorkomen, te onderkennen en op te lossen. Dit gaat niet enkel over feitelijke beïnvloeding: ook de loutere schijn van partijdigheid of oneerlijk voordeel volstaat om een gunningsbeslissing aan te tasten. Zo oordeelde het Hof van Justitie in het arrest eVigilo (HvJ 12 maart 2015, C-538/13, eVigilo) dat zelfs een eventuele partijdigheid volstaat, en dat een concreet bewijs van partijdige handeling niet vereist is om als belangenconflict beschouwd te worden.

Artikel 52 van de wet legt dan weer regels op voor kandidaten of inschrijvers die voorafgaandelijk bij de voorbereiding van de opdracht betrokken waren. Denk aan een studiebureau dat voor de subsidie-aanvraag van een aanbesteder voor een bouwproject reeds een voorontwerp opstelde, en vervolgens in hetzelfde bouwproject een offerte indient om als ontwerper aangesteld te worden. Wanneer in die nieuwe opdracht één van de gunningscriteria peilt naar de ontwerp-optimalisaties die door de inschrijvers worden gemaakt op het voorontwerp, zou dit problematisch kunnen zijn gelet op de eerdere betrokkenheid van één specifieke inschrijver bij de opdracht. Zo’n betrokkenheid creëert namelijk een informatievoorsprong die de concurrentie kan vervalsen. De wetgever verplicht de aanbesteder om dergelijke situaties passende maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de mededinging niet wordt vervalst door de deelneming van die kandidaat of inschrijver.

Een vonnis van de Ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen van 16 december 2025 illustreert de toepassing van deze twee regelingen. Een aanbesteder gunde in 2023 een overheidsopdracht voor de levering van specifieke producten.  Een niet-gekozen inschrijver ontdekte dat de aanbesteder in het jaar voorafgaand aan de gunning, met de gekozen inschrijver samenwerkte om net dat specifieke product te ontwikkelen. De niet-gekozen inschrijver vorderde voor de Ondernemingsrechtbank een schadevergoeding op basis van artikel 16 Rechtsbeschermingswet.

De Ondernemingsrechtbank oordeelde:

Een situatie, waarin één van de deelnemers aan een overheidsopdracht een onderneming betreft die voorafgaandelijk aan de overheidsopdracht heeft samengewerkt met de aanbestedende inzake de ontwikkeling van juist dat product waarvoor uiteindelijk achteraf een overheidsopdracht wordt uitgeschreven, doet naar oordeel van de rechtbank onmiskenbaar een schijn van vooringenomenheid en partijdigheid ontstaan. Dat een dergelijke samenwerking zou passen binnen het maatschappelijk doel van [de aanbesteder] om de belangen van haar leden te behartigen en dat er geen juridische, economische of financiële band zou bestaan tussen [de aanbesteder] en [de gekozen inschrijver] inzake de ontwikkeling van [het product], doet geen afbreuk dat een dergelijke situatie wel degelijk een schijn van vooringenomenheid en partijdigheid creëert. Ook uit de beoordeling van het tweede middel (zie verder) volgt dat hierdoor eveneens de gelijke behandeling van de ondernemingen en eengelijk speelveld niet verzekerd werd.

[De aanbesteder] was dan ook gehouden om overeenkomstig artikel 6, §1 Overheidsopdrachtenwet de nodige maatregelen te nemen om tijdens de plaatsing en de uitvoering dit belangenconflict te voorkomen, te onderkennen en op te lossen, teneinde de transparantie van de procedure te waarborgen en gelijke behandeling van alle ondernemers te verzekeren. In voorliggend geval blijkt dat [de aanbesteder] het belangenconflict geenszins erkend heeft en geen enkele maatregel heeft genomen om het belangenconflict te voorkomen dan wel op te lossen. Er is dan ook sprake van een schending van artikel 6, §1 Overheidsopdrachtenwet.

En verder:

Zoals eerder aangehaald was er al sprake van deze samenwerking in een openbaar stuk van de [Stad X], zijnde zeven maanden voor de bekendmaking van de overheidsopdracht. Hoewel [de aanbesteder] zelf (al dan niet bewust) heel vaag blijft over de details van deze samenwerking, blijkt naar oordeel van de rechtbank afdoende dat [de gekozen inschrijver] een voordeel ten opzichte van andere ondernemers heeft gehad doordat [de gekozen inschrijver] ruim voorafgaandelijk aan de bekendmaking van de overheidsopdracht de mogelijkheid en tijd heeft gehad om [het product] te ontwikkelen die perfect aan de behoeften van [de aanbesteder] kon vol- doen. Dit in tegenstelling tot andere ondernemers die slechts kennis kregen van deze behoeften bij de bekendmaking van de overheidsopdracht via de technische vereisten in het bestek en dan slechts één maand de tijd hadden – in de zomerperiode – om na te gaan of zij hieraan konden voldoen en een offerte in te dienen. [De aanbesteder] heeft dan ook geenszins de nodige maatregelen genomen om een gelijk speelveld te bewaken en heeft het gelijkheidsbeginsel zoals voorgeschreven door artikel 4 Overheidsopdrachtenwet geschonden.

De rechtbank is verder van oordeel dat [de niet-gekozen inschrijver] terecht opwerpt dat deze voorafgaande afstemming tussen [de aanbesteder] en [de gekozen inschrijver] over de ontwikkeling van [het product] beschouwd kan worden als een betrokkenheid bij de voorbereiding van de plaatsingsprocedure in de zin van artikel 52, §1 Overheidsopdrachtenwet. Bijgevolg had [de aanbesteder] passende maatregelen moeten nemen om ervoor te zorgen dat de mededinging niet wordt vervalst door de deelneming van [de gekozen inschrijver]. Opnieuw blijkt niet dat [de aanbesteder] deze voorafgaande betrokkenheid enigzins heeft onderkend noch dat zij maatregelen heeft genomen om ervoor te zorgen dat de mededinging niet werd vervalst.

Er is dan ook sprake van een schending van artikel 4 en artikel 52, §1 Overheidsopdrachtenwet.

De Ondernemingsrechtbank veroordeelde de aanbesteder tot het betalen van een schadevergoeding.

Het vonnis onderlijnt andermaal het belang van het detecteren en vermijden van vooringenomenheid door belangenconflict of voorafgaande betrokkenheid. Eens de schijn hiervan bestaat, moet de aanbesteder maatregelen nemen.

Heeft u vragen over belangenconflicten, voorafgaande betrokkenheid, een schijn van vooringenomenheid of gunningsbetwistingen? Neem gerust contact.

Vorige
Vorige

BA-verzekering ingenieur: schorsing of dekking?

Volgende
Volgende

Voldoende differentiatie in gunningscriterium?