Voldoende differentiatie in gunningscriterium?
In een vorig artikel gaven we mee dat een robuust gunningscriterium de volgende elementen combineert: een duidelijke definitie, een voorspelbare toepassing, een beoordelingsschaal die effectief toelaat om verschillen zichtbaar te maken, en een motivering die het verband legt tussen inhoudelijke vaststellingen en de toegekende score. De Raad van State heeft onlangs (RvS 7 januari 2026, nr. 265.337) een interessant arrest in die zin gewezen.
De feiten waren de volgende: de stad Blankenberge organiseerde een mededingingsprocedure voor de concessie van de exploitatie en organisatie van negen avondmarkten voor de periode van juni 2024 tot eind 2026. Het lastenboek bepaalde dat de concessie werd gegund na een openbare oproep, buiten de klassieke wetgeving overheidsopdrachten, maar wel op basis van vooraf vastgelegde gunningscriteria. De concessie werd gegund op 31 mei 2024, en tegen deze gunningsbeslissing stelden twee niet-gekozen inschrijvers een vernietigingsberoep in bij de Raad van State.
Het enige aangevoerde middel van de verzoeker ligt in de methodiek uit het bestek bevat voor de beoordeling van de gunningscriteria. De Stad had namelijk gekozen voor “een beoordelingsmethode die kan worden omschreven als een rangorde-puntentoekenning met vaste, lineaire aftrekstappen, waarbij de specifieke aftrekstappen verschillen per gunningscriterium en waarbij elke inschrijver die nà de laatste aftrekstap wordt gerangschikt, automatisch een nulscore krijgt op het betrokken gunningscriterium.” Een voorbeeld verduidelijkt deze nogal cryptische omschrijving: voor de beoordeling van het gunningscriterium ‘Organisatieplan’, worden de inschrijvers gerangschikt van het beste plan naar het slechtste plan. Er werd dus niet gerangschikt op basis van toegekende punten, er werd enkel geranschikt op basis van beter/slechter. Wie eerste wordt gerangschikt krijgt het maximum van 40 punten. De tweede krijgt 10 punten minder, de derde 20 punten minder en de vierde 30 punten minder. Iedereen die lager dan vierde eindigt, krijgt automatisch 0 punten. Het valt meteen op dat dit systeem enkel kijkt naar de plaats in de rangschikking, niet naar hoe groot de werkelijke verschillen tussen de offertes zijn. Het zou in theorie namelijk perfect mogelijk zijn dat er vijf inschrijvers zijn met plannen die aan elkaar gewaagd zijn, maar de vijfde gerangschikte nul punten krijgt ondanks het feit dat zijn plan niet veel minder kwalitatief is dan de eerst gerangschikte.
De Raad van State stelde vast dat deze methode inderdaad onvoldoende rekening hield met de werkelijke kwalitatieve verschillen tussen de offertes. Ze vergrootte volgens de Raad kleine verschillen kunstmatig uit en vlakte grote verschillen af, omdat enkel wordt gekeken naar de plaats in de volgorde, niet naar de intrinsieke kwaliteit. De Raad stelde: “Wat daarbij vooral klemt is het gegeven dat de vaste, vooraf bepaalde lineaire aftrekstappen grote sprongen in puntentoekenning maken, louter op basis van de plaats in de rangschikking en dit ongeacht de grootte van de inhoudelijke verschillen tussen de offertes. Dergelijke werkwijze staat haaks op het vereiste van een objectieve beoordeling van de offertes waarbij de intrinsieke waarde van een offerte in de onderlinge vergelijking met de andere offertes dient te worden onderzocht.” Het beoordelingsverslag motiveerde enkel de rangorde, maar niet de inhoudelijke verschillen tussen de offertes. De gehanteerde methodiek bracht dus de kwalitatieve verschillen tussen de offertes niet op afdoende wijze in kaart. Daardoor staat niet vast dat de concessie effectief werd gegund aan de inschrijver met het meest kwalitatieve voorstel. De Raad oordeelde dan ook dat de beoordelingsmethode onwettig is, en vernietigde de gunningsbeslissing.
Dit ligt in lijn met eerdere rechtspraak van de Raad (RvS 3 maart 2016, nr. 234.019, Ernst & Young Bedrijfsrevisoren) over een afvlakkende beoordelingsschaal. In die zaak hanteerde de aanbesteder een relatieve beoordelingsmethode: elke offerte werd vergeleken met de andere, en kreeg 0, 1 of 2 punten afhankelijk van de kwaliteit per subcriterium. Hierover meende de Raad: “Zij blijkt weliswaar een beoordelingsmethode te hebben gebruikt waarbij slechts drie schalen worden gehanteerd, doch dit voor criteria die een veeleer beperkte weging van 5 tot 10 op 100 vertegenwoordigen. In die zin is de huidige zaak alvast niet helemaal vergelijkbaar met de zaak Dimarso, die leidde tot arrest nr. 219.515, waar de verzoekende partijen naar verwijzen maar waar de Raad, in het kader van de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, oordeelde dat er “in het algemeen […] op het eerste gezicht vragen [zouden] kunnen rijzen bij het hanteren van een beoordelingsmethode waarbij slechts drie schalen worden gehanteerd voor een gunningscriterium dat een weging van 50/100 vertegenwoordigt”. De methode verschilt bovendien van eerdere onwettige systemen waarin grote kwaliteitsverschillen werden weggevlakt of de tweede inschrijver automatisch 0 punten kreeg. In de zaak uit januari 2026 hanteerde de aanbesteder deze afvlakkende beoordelingsschaal voor alle gunningscriteria, vlakt grote kwaliteitsverschillen af en geeft bepaalde inschrijvers automatisch nul punten, reden waarom de gebruikte beoordelingsschaal onwettig blijkt.
In het arrest uit 2026 werd tot slot door de verzoekers ook een schadevergoeding tot herstel gevorderd op grond van artikel 11bis, eerste lid, RvS-Wet. Hierover oordeelde de Raad dat de verzoekende partijen hun schade niet concreet aantonen. Voor de toekomstige markten van 2026 is herstel in natura mogelijk, omdat gunningsprocedure toch moet worden hernomen. Voor de reeds uitgevoerde markten van 2024 en 2025 ontbrak een afdoende cijfermatige onderbouwing, en de gevorderde morele schadevergoeding werd niet bewezen. Daarom werd het verzoek tot schadevergoeding tot herstel integraal afgewezen.
Heeft u vragen over het vaststellen of het toepassen van gunningscriteria, of de plaatsing van overheidsopdrachten? Neem gerust contact.