BA-verzekering ingenieur: schorsing of dekking?
De Ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen sprak zich in een vonnis van 29 januari 2026 uit over een geschil naar aanleiding van schade bij renovatiewerken aan een voormalige kazerne. Een aanzienlijk deel van het vonnis is gewijd aan de vraag welke verzekeraar welke dekking moet verlenen. In één van de (vele) geschilpunten uit dit vonnis komen vier klassieke thema’s uit de aansprakelijkheidsverzekering samen: dekking in de tijd, schorsing van de dekking wegens niet-betaling van de premie, tegenstelbaarheid van excepties en de aangifteplicht door de verzekerde.
Wat houden deze zaken in?
Wat de dekking in de tijd betreft, is de vraag welk risico zich moet realiseren om de verzekering te activeren. Hier speelt het onderscheid tussen het loss occurrence- en het claims made-systeem uit art. 142 Wet Verzekeringen 2014. Bij loss occurrence is het voorvallen van de schade beslissend: als de schade zich voordoet tijdens de looptijd van de polis, is er dekking, ook wanneer de aansprakelijkheidsvordering pas later wordt ingesteld. Bij claims made is daarentegen het tijdstip van de claim doorslaggevend: de schade-eisen die tijdens de geldigheidsduur van de polis worden geformuleerd, vallen onder de waarborg, behoudens eventuele retroactieve of verlengde meldingsclausules. Het verschil ligt dus in de koppeling van het risico aan ofwel het schadefeit, ofwel aan de aanspraken die worden gemaakt. Welk systeem geldt, blijkt uit de verzekeringsovereenkomst.
Niet-betaling van de verzekeringspremie kan grond opleveren tot schorsing van de dekking of tot opzegging van de overeenkomst, mits de schuldenaar in gebreke is gesteld. Dit leidt dus niet automatisch tot verlies van dekking (artt. 69-72 Wet Verzekeringen 2014). De verzekeraar moet eerst een geldige ingebrekestelling versturen waarin duidelijk wordt gewezen op het verschuldigde bedrag, de betalingstermijn en de gevolgen bij uitblijven van betaling. Pas na het verstrijken van de wettelijk bepaalde wachttijd kan een schorsing uitwerking krijgen. Tijdens die termijn blijft de verzekeraar tot dekking gehouden.
De tegenstelbaarheid van excepties, nietigheden en verval van recht uit art. 151 Wet Verzekeringen 2014 is een interessante eigenschap van aansprakelijkheidsverzekeringen. Wanneer een benadeelde een rechtstreekse vordering instelt tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar, is zijn positie in bepaalde gevallen beschermd. Bij verplichte aansprakelijkheidsverzekeringen kunnen excepties, nietigheden, vrijstellingen en vervalbedingen in beginsel niet worden tegengeworpen aan de benadeelde derde. Het is dus relevant om te weten of een verzekering een verplicht karakter heeft. Ook is het onderscheid tussen uitsluiting van dekking en verval van recht belangrijk. Een uitsluiting bepaalt de omvang van het verzekerde risico en impliceert dat een bepaalde situatie nooit onder de waarborg viel. Verval van recht daarentegen is een sanctie wegens niet-naleving van een contractuele of wettelijke verplichting en leidt tot verlies van een reeds bestaand recht op dekking. Niet elk verweermiddel van de verzekeraar is tegenstelbaar aan de benadeelde, maar sommige wel steeds (zoals bijvoorbeeld een uitsluiting van dekking).
Ten slotte is er de aangifteplicht. De verzekerde moet het schadegeval zo spoedig mogelijk melden en alle nuttige inlichtingen verstrekken. Indien de verzekerde dit nalaat en er daardoor een nadeel ontstaat voor de verzekeraar, kan deze (volgens art. 76 Wet Verzekeringen 2014) aanspraak maken op een vermindering van de prestatie ten belope van het door hem geleden nadeel. Bij bedrieglijk opzet kan de verzekeraar zelfs de dekking weigeren.
In één van de geschilpunten van het concrete dossier voor de Orb. Antwerpen, afd. Antwerpen van 29 januari 2026, stond de beroepsaansprakelijkheidsverzekering van de stabiliteitsingenieur centraal. De verzekeraar betwistte de eisen in dekking. Het zou volgens de verzekeraar een niet-verplichte aansprakelijkheidsverzekering zijn en de dekking zou enkel gelden voor schade-eisen die tijdens de geldigheidsduur van de polis worden ingesteld en die betrekking hebben op schade die tijdens dezelfde duur is voorgevallen. Het zou hierbij niet zijn bewezen dat de schade voorviel binnen een waarborgperiode en dat de schade-eis werd ingediend binnen een waarborgperiode. De waarborg zou namelijk zijn geschorst door de wanbetaling van de stabiliteitsingenieur. De verzekeraar had de stabiliteitsingenieur daarover vaak aangemaand, waarna schorsingsperiodes volgden. Ondergeschikt wees de verzekeraar erop dat er geen aangifte werd gedaan: de stabiliteitsingenieur was overgegaan tot ondertekening van de schadevaststelling zonder dat zij dit had aangegeven. De verzekeraar werd pas twee jaar na de eerste dagvaarding betrokken.
De Ondernemingsrechtbank vertrok in haar vonnis van de definitie van het schadegeval in de aansprakelijkheidsverzekering. De verzekeringsovereenkomst beperkte het begrip schadegeval tot de daadwerkelijke schade-eis die de aansprakelijkheid van de verzekerde in het gedrang brengt, en dit was volgens de polis de burgerlijke vordering van een derde tegen de verzekerde. Het betrof dus een claims made-systeem. In dit dossier waren reeds in augustus 2016 duidelijke tekenen van schade. De stabiliteitsproblemen werden besproken tussen de betrokken partijen en het was voor de ingenieur duidelijk dat haar aansprakelijkheid in het gedrang kon komen. De formele ingebrekestelling volgde pas in december 2016, maar het relevante aansprakelijkstellingsmoment situeerde zich volgens de rechtbank reeds eind augustus 2016.
Dat was voor de rechtbank beslissend voor de dekking in de tijd. De door de verzekeraar ingeroepen schorsingsperiodes vielen deels vóór en deels na die datum. Tussen 9 juli en 9 september 2016 was de dekking actief. Net in die periode deed het verzekerde risico zich voor. De verzekeraar slaagde er niet in aan te tonen dat de waarborg op dat ogenblik geschorst was. Kortom, het gemanifesteerde risico (claims made) bevond zich tussen momenten van schorsing, en de vraag naar de tegenstelbaarheid van het verval van recht was dus zelfs niet aan de orde. Ook het verweer inzake laattijdige aangifte werd verworpen. Zelfs indien de melding niet onmiddellijk gebeurde, toonde de verzekeraar geen concreet nadeel aan. Zonder bewezen schade kan een laattijdige aangifte geen bevrijdend effect hebben. De dekking moest worden verleend.
Het vonnis illustreert het belang van de plaatsing van het schadegeval (loss occurrence of claims made) op de tijdslijn, met een mogelijke cascade van gevolgen voor de dekking, een eventueel verval van dekking en de tegenstelbaarheid van zo’n verval aan derde-benadeelden. In BA-dossiers is dit allesbehalve een detail.
Heeft u vragen over verzekeringen in bouwcontext? Neem gerust contact.