Wanneer voldoen aan de selectiecriteria?

Een terugkerende vraag in overheidsopdrachten is op welk moment een inschrijver moet voldoen aan de selectiecriteria die de opdrachtdocumenten opleggen. De Overheidsopdrachtenwet of het KB Plaatsing geeft hierover geen algemene regel, maar het Hof van Justitie en de Raad van State hebben dit enigzins afgelijnd.

Uitgangspunt is dat de aanbestedende overheid vrijheid heeft om het toetsingsmoment vast te leggen, zolang dat moment vooraf duidelijk is en op ondubbelzinnige wijze is bekendgemaakt. Dat volgt uit HvJ 9 februari 2006, C-226/04 en C-228/04, La Cascina en Zilch, waarin het Hof benadrukte dat transparantie vereist dat inschrijvers weten wanneer zij moeten voldoen aan de gestelde voorwaarden.

Wanneer de opdrachtdocumenten hierover zwijgen, worden selectiecriteria in de praktijk doorgaans beoordeeld op het moment van de indiening van de offerte (of van de aanvraag tot deelneming in geval van een tweestapsprocedure). De Raad van State bevestigde deze mogelijkheid in een zaak over een selectie-eis inzake technische- en beroepsbekwaamheid. Zo werd in RvS 10 november 2017, nr. 239.841, Executive Limousine Organization geoordeeld dat een een aanbesteder mag oordelen dat een inschrijver aan deze eis moest voldoen op de uiterste indieningsdatum, ook al werd er hierover niets bepaald in de opdrachtdocumenten. Een verklaring van de inschrijver dat hij pas tegen de gunning aan de eis zou voldoen, volstaat dan niet.

Voor sommige selectievereisten geldt een specifieke regeling. Bij de erkenning van aannemers mag een opdracht worden gegund aan een inschrijver die de erkenning pas heeft op het moment van de sluiting van de opdracht, maar dit wijzigt niets aan het feit dat de erkenningsvoorwaarden als selectiecriterium ook vóór de gunning moeten worden onderzocht. (RvS 23 maart 2018, nr. 241.101, Electro Technique et Mecanique Putman Frères)

Als het bestek uitdrukkelijk bepaalt dat een inschrijver ook na de selectie aan bepaalde criteria moet blijven voldoen, dan moet de aanbesteder dit consequent toepassen. Dat volgt uit RvS 23 augustus 2018, nr. 242.226, Scheidt & Bachmann.

Ten slotte blijft het toetsingsmoment onlosmakelijk verbonden met de basisbeginselen. Het gelijkheidsbeginsel vereist dat alle inschrijvers op hetzelfde moment worden beoordeeld. Het transparantiebeginsel vraagt dat de modaliteiten van de selectie vooraf kenbaar zijn. En volgens het patere legem-beginsel moet de aanbestedende overheid de door haarzelf opgelegde regels strikt respecteren.

Het resultaat is genuanceerd: de aanbesteder dient steeds de bepalingen van de opdrachtdocumenten toe te passen. Wanneer deze niets zeggen over het toetsingsmoment van de selectiecriteria, geniet de aanbesteder een vrijheid. De aanbesteder mag dus beslissen dat een inschrijver op de uiterste datum van indiening (van de aanvraag tot deelneming dan wel van de offerte) voldoet aan de selectievereisten én dit kan aantonen met bewijsstukken die dateren van vóór dat moment. Wat nadien wordt voorgelegd, kan enkel dienen ter verificatie van gegevens die reeds bestonden. Niets lijkt in de weg te staan dat de aanbesteder beslist dat er pas uiterlijk op het moment van het nemen van de gunningsbeslissing (of de selectiebeslissing) wordt voldaan aan de selectie-eisen, mits dit gebeurt met toepassing van het gelijkheids- en transparantiebeginsel.

Heeft u vragen over selectiecriteria of de plaatsing van overheidsopdrachten? Neem gerust contact.

Vorige
Vorige

Grens tussen overheidsopdracht en subsidie

Volgende
Volgende

Prijzen: verantwoording vs. toelichting